Vakantiedagen opbouwen: wat artikel 7:634 BW precies regelt
De wettekst — Artikel 7:634 BW
1. De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een overeenkomstige tijd.
2. De werknemer die over een deel van een jaar recht op loon heeft gehad, verwerft over dat deel aanspraak op vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende het gehele jaar recht had op loon over de volledige overeengekomen arbeidsduur.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan ten aanzien van werknemers wier arbeidsovereenkomst eindigt nadat deze ten minste een maand heeft geduurd, van lid 2 worden afgeweken in dier voege dat de aanspraak op vakantie wordt berekend over tijdvakken van een maand.
Volledige tekst, uitleg en het passende contractmodel → · geldig vanaf 2026-07-01, bron wetten.overheid.nl
Je medewerker komt in oktober langs met de vraag hoeveel vakantiedagen hij nog heeft. Hij is in maart begonnen, werkt 28 uur per week en is in de zomer zes weken ziek geweest. In je urenregistratie staat een getal, maar je weet eigenlijk niet zeker of dat klopt. En dat is vervelend, want vakantiedagen zijn geld: wat er aan het einde van het dienstverband nog openstaat, moet je uitbetalen.
De basis staat in artikel 7:634 van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel bepaalt hoeveel vakantie een werknemer minimaal opbouwt.
Vier keer de wekelijkse arbeidsduur
De regel is eenvoudig: voor elk jaar waarin de werknemer aanspraak op loon heeft, bouwt hij ten minste viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week aan vakantie op.
Werkt iemand 40 uur per week, dan is dat 160 vakantie-uren per jaar. Bij werkdagen van 8 uur komt dat neer op twintig vakantiedagen. Werkt iemand 28 uur per week, dan is het 112 uur. En werkt iemand maar 12 uur per week, dan is het 48 uur. De wet rekent dus in uren, niet in dagen — dat voorkomt gedoe bij mensen die op wisselende dagen of wisselende dagdelen werken.
Ook belangrijk: dit is een minimum. In veel cao's en arbeidsovereenkomsten staan meer vakantiedagen, bijvoorbeeld 25 per jaar bij een fulltime dienstverband. Die extra dagen boven het wettelijk minimum heten bovenwettelijke vakantiedagen. Daarvoor gelden soepelere regels, bijvoorbeeld over verjaring en over uitbetaling. Het is dus verstandig om in je administratie onderscheid te maken tussen wettelijke en bovenwettelijke uren.
Een deel van het jaar of deeltijd: naar evenredigheid
Begint of eindigt het dienstverband midden in het jaar, dan bouwt de werknemer naar evenredigheid op. Iemand die op 1 maart start met een fulltime contract, heeft over dat jaar recht op tien twaalfde van 160 uur: ongeveer 133 uur. Bij deeltijd werkt het net zo: je rekent gewoon met de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur.
Verandert die arbeidsduur tussentijds — iemand gaat van 40 naar 24 uur — dan verandert de opbouw vanaf dat moment mee. De uren die daarvóór zijn opgebouwd, blijven staan. Ze worden dus niet met terugwerkende kracht herrekend.
Ziekte, verlof en opbouw
Een veelgemaakte fout: denken dat een zieke werknemer geen vakantie meer opbouwt. Dat klopt niet. Zolang de werknemer aanspraak op loon heeft, loopt de opbouw in beginsel gewoon door — ook tijdens langdurige ziekte. Een medewerker die een jaar ziek thuis zit, bouwt dus in dat jaar zijn volledige vakantieaanspraak op.
Anders ligt het bij onbetaald verlof. Heeft de werknemer over die periode geen aanspraak op loon, dan bouwt hij over die periode ook geen vakantie op. Datzelfde geldt voor perioden waarin de loonbetaling om een andere reden helemaal is gestopt.
Tijdens het opnemen van vakantie loopt het loon overigens door. Vakantie is geen onbetaalde periode, maar betaald vrij zijn.
Waar het in de praktijk misgaat
- Opbouw in dagen bijhouden bij mensen met wisselende diensten. Reken en registreer in uren, precies zoals de wet doet. Anders krijg je discussie over hoe lang een "dag" is.
- Vakantieopbouw stopzetten bij ziekte. Dat mag niet voor het wettelijk minimum en levert bij uitdiensttreding een naheffing op die je niet had begroot.
- Geen onderscheid maken tussen wettelijke en bovenwettelijke uren. Zonder dat onderscheid weet je niet welke uren wanneer vervallen of verjaren, en dat is nu juist waar conflicten over ontstaan.
Concreet: waar let je op
- Controleer je verlofadministratie op urenbasis en zet per medewerker de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur erbij. Zo kun je de opbouw altijd narekenen.
- Check je cao en arbeidsovereenkomsten op afwijkende, hogere aantallen. Bied je meer dan het minimum, leg dan vast welk deel bovenwettelijk is.
- Laat de opbouw doorlopen bij ziekte en pas hem alleen aan bij perioden zonder loonaanspraak, zoals onbetaald verlof — met een aantekening in het dossier waarom.
Direct zelf regelen?
Stel het bijpassende model op met Lexparaat. Je eerste document is gratis, daarna €5 per document; een juristcontrole €99.
Bronnen
art. 7:634 BW — Vakantieaanspraak. Voor elk jaar waarin de werknemer aanspraak op loon heeft, bouwt hij ten minste viermaal de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur aan vakantie-uren op — bij een fulltime werkweek van 40 uur dus 160 uur (bij 8-urige werkdagen: twintig dagen), naar evenredigheid bij deeltijd of een deel van het jaar. Opbouw loopt in beginsel door tijdens ziekte, niet tijdens onbetaald verlof. Het recht op loondoorbetaling tijdens vakantie staat in art. 7:639 BW. wettekst↗
Dit artikel is algemene informatie, geen juridisch advies. Twijfel je over jouw situatie? Scan je contract gratis — en als het advies moet worden, tekent er een jurist.